Op kamp… met tranen

{$items.title}

Het boek 'Opgroeien in stukjes' van An Candaele is een heel herkenbaar verhaal – verwoord in korte tekstjes -  over het grootse avontuur van kinderen te zien opgroeien.  In deze zomervakantie doet dit fragment mij even slikken... Gelukkig heb ik nog tijd tot 10 augustus om me te vermannen.

Ze was acht en zou voor het eerst op kamp gaan. Tien dagen weg zonder mama of papa. Het leek me veel voor zo’n kind, maar de leidsters verzekerden ons dat het meeviel, zelfs kindjes van zes doorstonden het met glans. Zij konden het weten, ze hadden ervaring met kampen.

En misschien dacht ik te veel aan mijn eigen kamptijd waar ik – zoveel jaren na datum durf ik dat eerlijk toegeven – vaak heimwee had, in het verborgene. De opvoedraad indachtig dat je moet opletten je eigen trauma’s niet te laten wegen op je kind, vermande ik me.

Zij zelf was overtuigd dat ze mee wou. Ze vond de wekelijkse bijeenkomsten heerlijk en de vriendinnetjes gingen ook mee. Daar wilde ze bij zijn. Tot de dag van het vertrek eraan kwam. Tijdens het vullen van het valies dook er enige twijfel op: “Ik zal jullie toch wel missen”, klonk het met een ietwat benepen stemmetje.

Ik wilde niet denken aan een kind, ons kind, wegkwijnend van verdriet en sprak stoerder dan ik me voelde: “Dat zal wel meevallen, je zal bij Lien en Janne zijn, en de hele dag leuke dingen doen… .”

Een briefje

Ze vertrok, niet als een grote held, maar toch ook niet in tranen. Het zou wel loslopen… hoopte ik. Halverwege het kamp kregen we een briefje. Of eigenlijk een tekening:

een kindje dat dikke tranen weende staarde me aan. Mijn hart brak.


Misschien moet je haar wel naar huis halen”, zei mijn moeder, “er zijn kinderen die dat niet aankunnen”. Met een kleinkind van een van haar vriendinnen hadden ze het ook meegemaakt. Ik stond versteld dat uit de mond van mijn moeder te horen. Het zou in onze kindertijd onder de noemer ‘trunten’ gevallen zijn en ‘trunten’ mochten we niet doen.

Maar een kleinkind met heimwee is iets anders, blijkbaar. Omdat een grootmoeder anders is dan een moeder, dat heb ik meer dan eens vastgesteld.

Ik belde naar de kampplaats. Een nummer dat alleen in noodgevallen mocht gebruikt worden, maar dit wás een noodgeval, dat stond buiten kijf.

De leidster was overtuigd dat ik me nodeloos zorgen maakte. Onze dochter speelde vrolijk mee en at goed. De leidster kon met de hand op het hart verzekeren dat ze zich thuis voelde in de groep. “Ik heb wel die tekening gekregen”, wierp ik op. Dat, zo dacht de leidster, had ze misschien gedaan om ons plezier te doen, het gevoel te geven dat we gemist werden. Een plezier was het hoegenaamd niet…

Ik kreeg haar niet even aan de lijn zoals ik had gewild, want dan zou ze pas heimwee krijgen vond ze. Ik kon er alleen op aandringen dat ze haar zouden vertellen dat ik gebeld had en dat ze het moest zeggen aan de leidsters als ze ongelukkig was. Ze zouden het doen.

Ik hoef wellicht niet te zeggen dat het me niet geruststelde. De jongedame in kwestie zal mijn interventie ongetwijfeld overdreven gevonden hebben. Ik heb dochter toen een brief geschreven, wat precies weet ik niet meer. Maar wel dat ik koste wat het kost duidelijk wilde maken dat we haar niet in de steek lieten, dat ze moest vragen om ons te bellen als ze naar huis wilde en dat we haar dan zouden komen halen.

Heimwee in het donker

Want dit vond ik toen het ergste: ons kind gaf een signaal en – als de leidster het haar niet vertelde van het telefoontje – leek het of we dat compleet negeerden. Zes jaar later vond ze mijn brief terug in een doos waar ze allerlei kampaandenkens in bewaarde. Toen ze hem herlas, kreeg ze er de krop van in de keel.

Ik weet nog”, zei ze, “dat ik destijds veel van wat er in die brief stond niet verstond, maar dat ik me er toch aan vasthield.” Of hoe de geest van de boodschap wellicht toch was overgekomen.
Want ja, ze had op dat kamp elke avond in haar bed geweend. Alleen in het donker en zonder spelletjes om haar af te leiden, sloeg het heimwee toe. Een vriendinnetje had dan telkens solidair mee geweend, vertelde de mama van het meisje nadien.

Het jaar erop liet ze zich weer inschrijven voor het kamp. Ik verwees naar de ervaring van het vorige jaar, maar ze was nu ouder en dat zou helemaal anders zijn, meende ze. Op de dag van het vertrek was die mening helemaal omgeslagen en zijn we met een wenende dochter naar de chirolokalen gegaan.

Twijfelend of we er wel goed aan deden, want zij wilde thuis blijven. Maar ze had het ten stelligste zelf gewild en wellicht had ze het vooral moeilijk met het moment van afscheid, als ze daar eens door was zou ze het wel fijn vinden, zo spraken we onszelf moed in.

Andere ouders probeerden me te troosten en waren vooral blij dat het hun dochter niet was, vermoed ik. Sommigen vertelden gelijkaardige ervaringen en hoe leuk dochterlief het daarna had gevonden.

Kampen werden hoogdagen

We kregen die keer een opgetogen brief – oef. Toen ze me bij thuiskomst ontwaarde tussen de wachtende ouders, viel ze wenend in mijn armen. “Was het niet leuk?”, vroeg ik geschrokken? “Jawel, heel leuk”, snikte ze en de verhalen de dagen erna bevestigden dat.

Een beetje missen en toch een heel fijne tijd beleefd hebben, was blijkbaar niet tegenstrijdig. Ze is daarna elk jaar mee geweest, zonder wenen. Zo vanaf haar veertiende mocht ik al blij zijn als ze nog eens omkeek en zwaaide bij vertrek.

Kampen waren hoogdagen en de eerste dagen na thuiskomst was ze kribbig omdat ze de kampsfeer miste. Uiteindelijk is ze ook leidster geworden, met nog meer onvergetelijke momenten en vriendschappen erbovenop. Toch goed dat we doorgebeten hebben in het begin. Maar dat wisten we toen niet.

Haar broer is een jaar naar de Chiro geweest, daarna niet meer. Iets in ons zei dat we daar niet moesten doorduwen. Omdat de leiding niet zo zorgzaam was én omdat hij een ander kind was.
Maar wanneer je dat duwtje moet geven om hen over een drempel te helpen en wanneer het forceren wordt tot iets wat hen niet ligt en je het dus beter nalaat… Dat blijft een moeilijke zaak, waar je aangewezen bent op je aanvoelen en gezond verstand. Rekenkundige formules mét garantie zijn er niet voor. Zoals dat trouwens met veel opvoedkundige aangelegenheden het geval is.

Als we de vriendschappen zien die in de Chiro ontstonden en tot op vandaag blijven duren, en horen hoe het jaarlijkse oud-leidingweekend nog altijd een hoogtepunt is, dan kloppen we ons op de borst: goed gedaan destijds.

Flink dat we onze ouderlijke hartenpijn verbeten hebben voor het goede doel op iets langere termijn.

Opgroeien in stukjes

Dit tekstje komt uit ‘Opgroeien in stukjes’, An Candaele, Uitgeverij Bibliodroom

Het boek 'Opgroeien in stukjes' is een heel herkenbaar verhaal – verwoord in korte tekstjes -  over het grootse avontuur van kinderen te zien opgroeien. Het boek begint bij de geboorte en eindigt met het uitvliegen. Vaak is de tocht fijn, soms lastig en in de tekstjes wisselen vreugde, ontroering, verdriet elkaar af, zoals in het leven.

Te koop in de boekhandel, 19,95 euro.

 

Reacties

Christiane Tansens schreef

Mooi positief verhaal!

Lili Chong schreef

Het boek is zo mooi geschreven, je voelt zich persoonlijk aangesproken, want het is herkenbaar, voor vrouwen die mama's willen worden, en voor ervarende of jonge mama's. Er zijn leuke anekdotes van opvoeding en opgroeien, echt boeiend en vlot leesbaar. Daarom heb ik het nu aan een heel goeie vriendin die gaat binnenkort bevallen geleend. Het boek is ideaal voor jezelf en ook als een cadeau voor iemand anders!

Reageer