Djénane vertelt: CPFO maakt het verschil voor duizenden vrouwen in Haïti

{$items.title}

Djénane is de coördinator van de vrouwenorganisatie CPFO in Haïti. Met vormingen en een medisch centrum maakt CPFO het verschil voor duizenden vrouwen, in een chaotisch land, waar vrouwenrechten en arbeidsrechten zo goed als dagelijks geschonden worden.
We interviewen Djénane in SONAPI, de industriezone in Port Au Prince, waar CPFO gevestigd is.

Kan je vertellen hoe CPFO ontstond ?

CPFO werd opgericht in 1985. De Amerikaanse organisatie, OEF (Overseas Education Fund), deed toen een marktonderzoek in Haïti, en stelde vast dat er nood was aan meer vormingen voor arbeidsters. Ze zagen dat vrouwen werkten van zeven uur ‘s ochtends tot vijf uur ’s avonds, en dat de meesten al van vijf uur ’s morgens onderweg waren met het openbaar vervoer, om pas ’s avonds om zeven uur terug thuis aan te komen. De combinatie met het huishouden liet hen niet toe om ook nog een opleiding te volgen in een officiële instelling.
Met het doel een vormingscentrum op te richten dicht bij de arbeidsters, kwam het OEF zo in Haïti terecht. Dankzij het OEF, en met de steun van USAID, waarop wij gedurende drie jaar konden rekenen, hebben wij toen het CPFO opgericht, het Centre de Promotion des Femmes Ouvrières.

In het begin organiseerden wij maar één enkele vorming, de vorming “Menselijke Ontwikkeling”. Vrouwen voelden zich aan hun lot overgelaten, ze hadden persoonlijke problemen, problemen met hun partners, ze voelden zich uitgesloten. Bij deze eerste vorming draaide alles om het zelfbewustzijn, om weerbaarheid en de kracht om het hoofd te bieden aan de omstandigheden. We werkten hard aan het opkrikken van het gevoel van eigenwaarde. Tijdens gesprekken en uitwisselingen werd het al snel duidelijk dat de verbetering van de werkomstandigheden in de fabrieken prioritair was. Zo is het begonnen.

In die periode zijn we ook gestart met een vorming rond gezondheid en een alfabetiseringscursus. 80 à 90% van de vrouwen in de industriezone kon toen lezen noch schrijven. Men wist weinig over het lichaam, over seksualiteit, over vrouwelijke gezondheid. Deze opleidingen werden goed onthaald.
Er was voorzien dat het CPFO in 1988 autonoom zou worden. Dus toen OEF het vaandel aan ons overdroeg, hebben we onze papieren in orde gebracht om erkend te worden door de Haïtiaanse overheid als lokale NGO. Dat duurde even, maar zo hebben we onze financiering kunnen diversifiëren en andere donoren kunnen zoeken.

In die periode spraken de arbeidsters een belangrijke bezorgdheid uit. “Wij moeten met onze gezondheid begaan zijn, maar waar kunnen we die vinden? Het zijn allemaal mooie woorden. We hebben een kliniek nodig, zodat we effectief aan onze gezondheid kunnen werken.” We hebben toen donoren gevonden om een medisch centrum op te starten, speciaal voor de arbeidsters.

Was dat medisch centrum hier in het industriepark SONAPI (Société Nationale des Parcs Industriels) gevestigd?

Neen, de eerste drie jaar zaten we hier in SONAPI, met onze cursus “Menselijke Ontwikkeling”. We zijn gestart met vier lesgeefsters. Na anderhalf jaar zagen we dat onze twee lokaaltjes te klein werden. We vonden toen een plek hier in de buurt, in de Rue Barbancourt. Daar richtten we het medisch centrum en de administratie van het CPFO in. In 2007 konden wij een AIDS-project opstarten. We organiseerden voorlichting en deden aan opsporing enz. Daarvoor kwamen we naar deze loods, hier in SONAPI. De rest van onze activiteiten gingen door in de Rue Barbancourt.

Maar in 2010, na de aardbeving, moesten we de Rue Barbancourt toch verlaten. Een ander gebouw huren was heel duur, hier in SONAPI waren de huurprijzen interessanter. Zo hebben we de lege loods hier verder ingericht. Het heeft vier jaar geduurd voordat we hier echt goed geïnstalleerd waren, je huurt de loodsen hier leeg, het vorige bedrijf deed hier z’n administratie. Voor wat je hier ziet vonden wij pas in 2014 financiering. Nu, beetje bij beetje, werken we verder. Er zijn twee consultatieruimtes in aanbouw. Ik ben God dankbaar, want voor het eerst hebben we nu ook lokale financiering kunnen vinden. Daarnaast krijgen we middelen van een Duitse organisatie (Bröt für die Welt), om de ruimte in te richten. We zijn nog niet klaar, maar we werken hoopvol verder.

Maar zo hebben wij dus de kliniek voor vrouwen kunnen oprichten. In het begin deden wij enkel gynaecologische consultaties en opsporing van baarmoederhalskanker. Gaandeweg werden er meer diensten gevraagd. We hebben een labo opgestart, er is een apotheek, we doen aan voorlichting en opsporing van HIV-aids en andere SOA’s.

CPFO werkt eigenlijk op twee sporen. Enerzijds zijn we actief rond seksuele en reproductieve gezondheid. Anderzijds werken we rond burgerzin en legaliteit, deze laatste noemen wij intussen onze tak “Mensenrechten en Gender”. Van Wereldsolidariteit en de Duitse organisatie Bröt für die Welt krijgen we financiële steun voor “Menselijke Ontwikkeling”. Dat zijn onze basiscursussen, de eerste vormingen die werknemers krijgen wanneer ze hier binnenstappen. Tijdens die vorming is het voor ons belangrijk om het vertrouwen van de arbeidster te winnen.

Kijk, van overal in Haïti komen mensen hier terecht. Ze weten niet wie wij zijn, ze vragen zich af waarom wij gratis zorgen verlenen. Ze willen weten wat onze politieke kleur is. Wij hebben geen politieke kleur. Je moet de mensen eigenlijk eerst op hun gemak stellen vooraleer ze een cursus komen volgen. Dat doen we met die cursus “Menselijke Ontwikkeling”. Gedurende vier weken praten we over de problemen, we geven hen inzicht in hun vrouw-zijn, in de discriminatie en de gelijkheid der seksen,… Allemaal dingen die vrouwen in hun dagelijkse leven niet te zien krijgen en die hen doen inzien dat ze echt wel meer waard zijn. De vorming is hier gelinkt aan de diensten. We zijn geen publiek gezondheidscentrum.

Om een cursus over gezondheid te volgen en van onze gezondheidsdiensten te kunnen genieten moeten de vrouwen onder andere eerst de vorming “Mensenrechten, Burgerzin en Legaliteit” volgen. Pas daarna heb je recht op gezondheidszorg. Na de staatsgreep in 1991 tegen Aristide zagen wij dat de mensen enkel voor de gezondheid kwamen, de cursussen interesseerden hun niet. Maar wij als CPFO vinden het onze taak om samen met de vrouwen hun leven en hun werk in handen te nemen. Ons doel is de verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van de vrouwen.

In onze cursus mensenrechten zit er ook arbeidsrecht verwerkt. We leren vrouwen hun wettelijke prestaties te berekenen en rechten te kennen. Bij ons leren ze bijvoorbeeld dat ze recht hebben op drinkbaar water op de werkplek, dat ze ongewenste intimiteiten kunnen en moeten aanklagen, net zoals het geweld dat hen wordt aangedaan. Dat is wat de cursus “Mensenrechten, Burgerzin en Legaliteit” inhoudt.

De ongelijkheid in dit land is groot. De minimumlonen voor de arbeiders zijn laag en de rechten van de werknemers worden regelmatig, zo niet permanent met de voeten getreden. Worden jullie niet als een luis in de pels beschouwd hier in het midden van het industriepark SONAPI ?

Dat valt mee. Wij zijn hier binnengekomen met de Amerikanen. Het was een project van USAID, zij hebben toen met de directeur gesproken en het project uit de grond gestampt. Op dat ogenblik was er nog geen afdeling legaliteit of mensenrechten, alles draaide om gezondheid met een klein onderdeel rond het zelfbeeld. Na enkele jaren zijn we naar het lokaal in de Rue Barbancourt verhuisd, waar we doorgingen met onze cursussen. We contacteerden de vrouwen zonder dat de werkgevers het wisten. Met flyers maakten we reclame om een nieuwe cursus aan te kondigen. Terwijl de activiteiten bleven groeien, hoorde het patronaat natuurlijk over ons. Zij interesseerden zich vooral in het programma rond gezondheid. Toen wij hen voorstelden om activiteiten rond gezondheid op te zetten binnen de fabrieken gingen ze akkoord. Als wij het willen hebben over de arbeidsrechten in de fabriek dan kan je ervan op aan dat ze daar niets over willen horen. Ze zijn bang dat hun personeel hen met allerlei eisen zal overspoelen.

Maar zo openden de werkgevers voor ons de deuren. Niet om te praten over legaliteit, maar om gezondheid te promoten in de fabrieken. Alle activiteiten rond mensenrechten en vrouwenrechten gaan ook hier door, maar daar weten de werkgevers niet zo veel van. Op speciale data zoals 8 maart, de internationale vrouwendag, 25 november, de internationale dag tegen geweld, organiseren wij activiteiten met de vrouwen, dat loopt altijd heel goed.

Maar er zijn wel moeilijkheden. De werkgevers begrijpen het niet altijd. Omdat we in het begin financiering kregen van USAID beschouwden ze ons als CIA. Daarna werden we plots bestempeld als ‘communisten’. Maar na 31 jaar hebben ze ons aanvaard, we zijn er. Er zijn zelfs fabrieken – al zijn ze het lang niet allemaal – waar we interventies mogen doen ín de fabriek over ongewenste intimiteiten en over geweld tegen vrouwen.

Sommige werkgevers feliciteren ons zelfs per brief voor de vorming die we in de fabriek doen. Wij nodigen hen graag uit om deel te nemen aan onze cursussen. Ongewenste intimiteiten en discriminatie zijn helaas dagelijkse realiteit. Heel vaak verkrachten opzichters vrouwen. Wij vinden dat de werkgevers dat moeten weten. Er zijn werkgevers die zich open opstellen, die ook naar de cursus komen.

We hebben ook een afdeling ‘Juridische Assistentie’. Onze eigen advocate helpt arbeidsters bij het berekenen van legale prestaties, bij een ontslag bijvoorbeeld. Vrouwen die bij ons juridische steun vragen helpen wij door hen naar de juiste diensten door te verwijzen, zoals de dienst “Sociale Zaken”. Veel arbeidsters hebben problemen met de sociale zekerheid. Van de lonen wordt officieel 6% afgehouden voor de sociale zekerheid. Maar je hebt ook een sociale zekerheidsboekje nodig, een ONA-boekje. (=Office Nationale des Assurances). Zonder boekje heb je geen toegang tot sociale zekerheid. In onze cursus ‘Mensenrechten’ leggen we uit welke de voordelen zijn van het ONA, een pensioen bijvoorbeeld, we leiden de arbeidsters naar de juiste instanties waar je een ONA-boekje kan aanvragen. Heel veel mensen weten hier niets vanaf.

Er zijn ook veel problemen met geboorteaktes. Sommigen hebben er eenvoudigweg geen, bij anderen staan er fouten in. Onze advocate toont hoe je een geboorteakte kan laten corrigeren. We moedigen hen ook aan om een geboorteakte voor hun kinderen te laten opmaken. Vooral als er fouten in de geboorteakte staan is dit een moeilijk werk. De procedure voor correctie kost veel geld, maar zonder correcte geboorteakte heb je geen recht op sociale zekerheid, soms moet je je geboorteakte ook voorleggen om werk te krijgen.

We werken samen met de syndicale sector. We voeren gesprekken om arbeidsomstandigheden te verbeteren. We hadden ook een gesprek met de directeur van OFATMA. OFATMA is een ziekenhuis, waar je met je ONA-boekje terecht kan. Als je op je werkplek een ongeluk had, dan stuurt je baas je naar OFATMA. OFATMA staat voor Office Assurance Accidents en Maternité, maar de materniteit was nooit echt functioneel. Als je zwanger was kreeg je geen zorgen, ook al werd er ONA voor je betaald. Onze onderhandelingen met de directeur van OFATMA rond de opstart van de materniteit wierpen hun vruchten af, sinds vorig jaar begon ze te draaien. De directeur van OFATMA is hier vorig jaar ook ook op bezoek geweest om vragen van de arbeiders te beantwoorden. Zo’n dingen doen we vaker, zo is de directeur van het ministerie van Sociale Zaken hier geweest om over de arbeidswetgeving te praten en de weg te wijzen naar de instanties waar arbeiders terecht kunnen met klachten.

Dat is het ongeveer! O ja, een klein percentage van onze cursisten zijn mannen. Lang waren er enkel vrouwen toegelaten, maar we zijn beginnen inzien dat er geen verandering kan komen als we enkel maar met vrouwen blijven werken.

Ons doel is dus ervoor te zorgen dat het leven van vrouwen kan veranderen, zowel thuis, op het vlak van hun gezondheid en op het werk. We leren vrouwen op te komen voor zichzelf, eisen te stellen, deel uit te maken van gezamenlijke acties. We moedigen hen aan om in een vakbond te stappen en hun stem te laten horen, we maken hen duidelijk dat gezondheid belangrijk is. Er zijn vrouwen die na de cursus ieder jaar een terugkomen voor een uitstrijkje, vroeger kenden ze dat niet.

Bij dames met SOA’s nodigen we ook uit de partners uit. Meestal is het de man die de infectie in de relatie brengt. Dat is niet makkelijk maar alleen zo kunnen we mensen mobiliseren en sensibiliseren.

Na de aardbeving van 2010 ontfermden we ons ook over de daklozen. We informeerden hen over cholera, HIV en AIDS. Drie jaar lang hebben we de kampen afgeschuimd. We komen ook binnen in de sloppenwijken, in Cité Soleil.  We hebben er toegang dankzij de arbeidsters uit die gemeenschappen, en ook daar doen we acties. Momenteel hebben we minder fondsen ter beschikking voor de gemeenschappen, daarom zijn we momenteel vooral hier actief, maar soms contacteren we ook mensen via de protestantse kerk, via de voodoo-tempels.

Hier bij CPFO geldt geslacht noch religie. Of je nu katholiek bent, protestant of de voodoo aanhangt, of je hetero bent, homo of lesbienne, in CPFO is iedereen gelijk! Iedereen weet dat er in CPFO geen discriminatie kan zijn.

Welke concrete stappen hebben jullie al vooruit gezet?

Je geraakt nooit waar je wil geraken. Dat komt omdat er in onze doelgroep, de arbeidsters, erg veel verloop is. Wat ik daarmee bedoel? Als hier iemand ontslagen wordt, dan staan er binnen de tien minuten tien andere mensen klaar, om de plaats in te nemen. Er zijn dus steeds nieuwe mensen.
In 1985, 1986, toen we begonnen, hadden we dat enorme analfabetisme, maar vandaag zijn de arbeiders in de fabrieken geschoold. We hebben dus geen alfabetiseringscursus meer. De populatie is veranderd, van analfabeten ga je naar geschoolden, sommige mensen haalden zelfs een secundair niveau. Dat komt door de grote werkloosheid in ons land. Jongeren komen van de schoolbanken en kunnen nergens aan de slag, zo komen ze in het industriepark terecht. Wij moeten onze cursussen permanent aan de noden aanpassen.

De onmiddellijke impact van ons werk zie je duidelijk. Na een vorming volgen er altijd meer medische onderzoeken. Er zijn mensen die hier al twintig jaar komen, die hier zelfs niet meer werken. Daar zijn we heel blij om. Als je ziet dat vrouwen na twintig jaar telkens op 8 maart weer opduiken voor onze activiteiten dan weet je dat dat er iets is blijven hangen. Toch vinden wij het meten van de impact op lange termijn heel moeilijk. Veel mensen zijn verhuisd, we zijn hun spoor kwijtgeraakt. De GSM helpt gelukkig tegenwoordig wel.

We zijn in ieder geval heel tevreden met de effecten op korte termijn: de goede wil, de bewustwording, de erkenning van problemen en het inzicht dat het gedrag van een man die kleineert moet veranderd worden. Dit lost natuurlijk de economische problemen niet op, maar we zien toch veranderingen.

Zijn er andere grote verschillen, naast alfabetisering, die zichtbaar zijn tussen de arbeidsters van 1986 en die van vandaag ?

Zeker.  Vroeger waren de arbeidsters rond de 40 jaar, vandaag zijn het vooral jongeren. En dankzij televisies, telefoons en internet hebben we de indruk dat vrouwen een meer open geest hebben dan vroeger. Vroeger waren de vrouwen meer in zichzelf gekeerd, je kon niet zomaar over alles praten. Dat is vandaag gemakkelijker. De vrouwelijke pubertijd bleef vroeger vaak onbesproken, ook dat is vandaag bespreekbaar. De mensen weten ook veel meer over de actualiteit en over wat er in de wereld gebeurd.

En zijn er vandaag meer vrouwen die aansluiten bij vakbonden ?

Daar is nog steeds angst over. Men is het ermee eens dat je je stem moet laten horen samen met anderen. Maar de meesten zijn bang om hun job te verliezen.
Er zijn werkgevers die geen vakbonden toestaan op het werk. Anderen accepteren ze wel.
Er is een nieuw syndicaat, het syndicaat van SONAPI. Deze vakbond overlegt regelmatig met de werkgevers en met het bevoegde ministerie om te praten over de werkomstandigheden van de arbeiders. De syndicaten organiseren hier bij ons hun vergaderingen. Er is zelfs een syndicaat opgericht naar aanleiding van een vorming van CPFO. Jammer genoeg is dat uit mekaar gevallen als de verantwoordelijke stierf, maar de mensen zijn in andere centrales terecht gekomen.

Vroeger had je hier veel elektronica, maar tegenwoordig is hier vooral textielindustrie (90% van de activiteiten). Hier zijn dus vooral textielsyndicaten actief. We werken met hen samen, doen aan lobbywerk, brengen onze activiteiten naar hen. We werken ook samen met andere partners van Wereldsolidariteit (met MOSCHTA en JOC) en ook met feministische organisaties. Iedereen hier is lid van een feministische organisatie. Maar we werken ook institutioneel samen. We maken deel uit van KONAP (Conseil Organisation National kap plede pou koz fanm) en worden uitgenodigd op alle activiteiten van vrouwenbewegingen, we helpen elkaar, we tekenen mee de petities. We werken ook met mensenrechtenorganisaties samen die ons uitnodigen, omdat ze weten dat we actief zijn rond geweld op basis van gender. We werken met het Ministerie van Gezondheidszorg en  met alle instituten uit de gezondheidssector.

Je had het over het verloop onder de arbeiders, hoe verklaar je dat ?

Dat is al eenendertig jaar lang hetzelfde liedje, het zijn altijd economische redenen. Toen je hierheen kwam zag je mensen in het industriepark, niet? Het ziet buiten zwart van het volk. Dat zijn geen arbeiders die naar hun werk komen, want zij waren al op hun post. Het zijn mensen die werk zoeken. Ofwel weten ze dat er in een bedrijf mensen worden gerekruteerd, of ze komen op eigen initiatief vragen of er geen volk nodig is. De massa volk buiten verwacht dat er mensen worden ontslaan, zij willen die plaatsen innemen. Daarom zijn mensen bang om zich aan te sluiten bij een vakbond, ze weten dat ze zo vervangen kunnen worden. Je hebt wel mensen die hun job weten te behouden, die rond de veertig zijn. Zij hebben ervaring en weten hoe de machines moeten bediend worden. Het verloop gebeurt vooral onder de jonge mensen. Het is trouwens ook gebruikelijk dat zwangere vrouwen op straat worden gezet, dat is verboden volgens de wet. Maar de werkgevers generen zich niet om een zwangere vrouw te ontslaan. Ze weten dat die een lange tijd buiten dienst zal zijn, en buiten staan er toch anderen klaar om haar te vervangen. Ook de mensen die eisen stellen riskeren hun job te verliezen. Er zijn opzichters die mensen ontslaan omwille van ongewenste intimiteiten, maar in werkelijkheid is het de vrouw die seks weigert. Dat zijn de redenen waarom er zo veel verloop is hier.

Jullie hebben buitenlandse financiering, maar hoe hebben jullie het klaargespeeld om ook lokale financiering te pakken te krijgen ? In Haïti is dat alles behalve evident.

Eenendertig jaar lang hebben we geen enkele lokale financiering gehad. Wat voor project we ook indienden, we kregen nooit iets. Toen we moesten verhuizen heb ik vrienden aangesproken met de vraag hoe we aan financiering konden geraken. Eén van de buitenlandse donoren stond ons toen 40.000 USD toe voor de renovatie. Dat was lang niet voldoende, maar we zijn ermee kunnen beginnen. Eens we aan de slag waren ben ik mensen blijven contacteren. Zo zag ik Digicel, een telecombedrijf, en zij waren bereid tot steun voor opleidingen. We zijn klant bij Sogebank , hun stichting heeft ons ook 20.000 USD gegeven, waarmee we weer verder konden gaan. Toen kwam er bezoek van het ministerie van financiën, geheel toevallig, ik was zelf niet eens ter plaatse. Iemand die rond gezondheid werkte was met de minister op stap en kwam bij ons terecht. Rita vertelde dat we een financieringsprobleem hadden, waarop de minister zei dat we een projectvoorstel moesten indienen. De minister is een kennis, dus heb ik hem gebeld, we hebben het project ingediend, en we hebben financiering gekregen. Dat was de eerste keer dat de overheid ons financiering gaf.

Veel van de financiering die we te pakken kregen was enkel mogelijk door persoonlijke contacten. Een vriend van mijn kinderen zit bijvoorbeeld in de Raad van Bestuur van Digicel en hij is erg begaan met vrouwenrechten. Ik vroeg hem om ons project te verdedigen. Zo hebben we de 13.000 USD van Digicel gekregen. Andere gesprekken draaiden op niets uit, zoals met Unibank, die nochtans veel geld hebben. We hebben het ook bij Comme Il Faut geprobeerd (lokaal sigarettenmerk). Gelukkig hebben zij ons project niet aanvaard, we zouden het moeilijk hebben om een gezondheidsproject te financieren met geld van een sigarettenfabrikant. Ook bij BraNa (Brasserie Nationale) kwamen we met lege handen buiten. Recent ontvingen we nog een andere financiering waardoor we konden uitbreiden. De lokale financiering ging vooral naar infrastructuur, in totaal ging het over 80 à 90 duizend dollar gespreid over twee jaar om onze lokalen in te richten. In de verste verte staat die niet in verhouding met de internationale financiering. Maar we blijven zoeken want we hebben nog een zaal nodig voor vormingen, en een keuken.

Als je in dit land geen persoonlijke contacten hebt dan krijg je niets. Ik ben van plan om nog eens proberen bij Digicel.

Zonder de internationale partners zou CPFO niet meer bestaan. Zij ondersteunen 100% van de projecten rond gezondheid, mensenrechten, gender. De lokale financiering is enkel voor de renovatie. Daarnaast was er ook de huur die we maar niet konden betalen na het aflopen van het AIDS-project, twee jaar lang hebben we de huur niet betaald, om onze werknemers in dienst te houden. Toen hebben we het ministerie van Financiën en dat van Handel benaderd, en de directie van SONAPI. Zo is onze huur gezakt van 3000 USD naar 1000 USD. Wij zijn geen winstgevende fabriek, en dat begrepen ze. Zelfs die 1000 USD hebben we twee jaar lang niet kunnen betalen. Bij elke directeurswissel bij SONAPI moesten we de zaak opnieuw uitleggen. Tot nog toe hebben we geen vrijstelling gekregen. Toen de nieuwe SONAPI directeur in mei aan de slag ging kwam de vraag opnieuw naar boven. Met de vorige directeur hadden we een informele afspraak. De nieuwe directeur begon druk op ons te leggen. Hij wou ons hier zelfs wegsturen. Het zijn mensen rondom hem die hem op de diensten wezen die we in SONAPI leveren, hij voelde dat hij ons niet zomaar kan buitengooien.

We zijn net gestart met een nieuw project van twee jaar, in samenwerking met USAID. We werken rond HIV-aids met sekswerksters, we verplaatsen ons naar hun werkomgeving. We gaan naar de bordelen, en de informele plaatsen. Na ons bezoek brengen we hen hierheen voor HIV-testen, en bieden we vorming, het is een groot project. Daarnaast werken we met drie organisaties samen rond gendergeweld. We werken ook samen met ander lokale organisaties, het ministerie van de vrouw, vrouwenorganisaties, we gaan bijvoorbeeld ook vormingen geven aan de politie.

Zij helpen vrouwen in Haïti leven.  Jij ook?

Wereldwijd zijn het vrouwen die het hardst worden geraakt door ongelijkheid, ziekte en armoede.
Zeker in Haïti, één van de armste landen ter wereld, dat nog eens extra getroffen is door de verwoestingen aangericht door orkaan Matthew.
De vrouwen en meisjes vormen de spil van het gezin en werken keihard om in eten, water en kleren te voorzien. Vaak kloppen ze extreem lange dagen in de fabrieken in Port-au-Prince voor een hongerloon van minder dan vijf euro per dag.
Het is voor die vrouwen dat de lokale partnerorganisatie van Wereldsolidariteit, CPFO - Centre de Promotion des Femmes Ouvrières, zich inzet. Ze bouwden een gezondheidscentrum en opleidingslokalen dicht bij de fabrieken. Ze maken de vrouwen weerbaar, zowel in hun gezin als op het werk.
Deze vrouwen zijn de motor van de heropbouw. Hun veerkracht is indrukwekkender dan de verwoestende kracht van de natuur.

Ook jij kan deze vrouwen steunen door een gift* op rekening van Wereldsolidariteit IBAN BE 41 8900 1404 3510 met vermelding “Femma voor Haïti”

* voor een bedrage van 40 euro of meer op jaarbasis krijg je een fiscaal attest.

Foto's en interview:  Joris Willems

Reageer