Tutti Fratelli: allemaal broeders

{$items.title}

Tutti Fratelli, zo heet het theatergezelschap van Reinhilde Decleir: allemaal broeders. De spelers zijn stuk voor stuk mensen die het niet gemakkelijk hebben in het leven door kans- armoede, psychiatrische problemen, gebrek aan scholing en zoveel meer dat mensen kwetsbaar kan maken. Met hen maakt Reinhilde Decleir theater, professioneel theater, met voor elke voorstelling uitverkochte zalen en vaak staande ovaties.

Waarom werk je specifiek met deze groep mensen? “Ik heb vroeger politiek theater gedaan en later speelde ik mee met de Internationale Nieuwe Scène, dus dat maatschappelijk aspect zat al eerder in het werk dat ik deed. Maar toen het Antwerps Platform Generatie armoede mij vroeg om met generatiearmen toneel te gaan maken in de Bourla, dan wou ik dat eerst niet doen. Ik dacht ‘voor wat moet dat nu, willen die mensen dat zelf wel, ik wil zelf wel in de Bourla gaan spelen’. Maar zij zijn vreselijk aan mij blijven trekken en uiteindelijk heb ik dat dan toch gedaan. Maar op mijn voorwaarden: op een professionele manier, met een professionele omkadering, op tijd komen, teksten leren, niet drinken, niet snuiven, wérken. Die eerste keer was een groot succes. En ik ben van hen gaan houden. Door hun openheid, hun gewoon zijn, hun pretentieloosheid. Wat zo specifiek is aan de fratelli is dat ze binnen hun mogelijkheden heel dicht bij zichzelf blijven en daardoor heel kwetsbaar spelen. En dat is zo schoon! Dat is iets waar wij als professionelen voor moeten opletten, je kent je technieken, je weet wat er werkt, maar ’t gevaar is dat je dat dan zielloos gaat spelen,  op automatische piloot. Dat kennen zij niet. Ik vind dat ontroerend mooi. Maar er wordt hier wel heel hard gewerkt hé en ’t is niet altijd gemakkelijk. Ik leg de lat hoog, zij krijgen moeilijke teksten, ‘t is hard werken. Maar ‘t is door dat te doen dat er iets schoons ontstaat. Omdat je in hen gelooft? “Ah ja, natuurlijk! En gelijkwaardig behandel. Ik ben hier wel de patronne, ik ben streng, maar ik vertrek vanuit een gelijkwaardigheid. En als ze zeggen ‘ik kan dat niet’, dan zeg ik ‘ge kunt da wél! (ferm). Dat hebben ze natuurlijk hun hele leven gehoord: ge wilt niet studeren, ge wilt niet werken, ge kunt niks… en wij doen het omgekeerde, wij doen hen stralen, met spots en al.“ En met applaus! “Ja, met applaus, dat is altijd een bijzonder moment. Dat is heel emotioneel. En het publiek voelt dat. Je vergeet dat dat mensen met problemen zijn. En dan ben ik trots!”

Gaat het bij Tutti Fratelli om meer dan alleen een voorstelling maken? Door samen te spelen ontstaat misschien terug verbinding bij mensen die geïsoleerd waren geraakt? ”Ja! Bij elke repetitie wordt er bijvoorbeeld gekookt, we hebben gespaard voor een keuken en wij hebben vrijwilligers die voor ons koken. En er wordt goed gekookt, dat zijn gerechten die mensen soms helemaal niet kennen. We hebben ontdekt dat deze mensen niet koken, maar vaak enkel klaargemaakte gerechten, lasagne, pizza en zo, opwarmen in de microgolf. Mensen in armoede eten heel ongezond. Dus dat doen wij hier, we zitten samen aan tafel, met mes en vork, dat is verzorgd en gezond. Ook dat is respect. Ook deze mooie ruimte waar wij kunnen repeteren is een vorm van respect voor hen. Wat ik hen ook leer van in het begin dat is mekaar omhelzen. Ik vind zo belangrijk, dat we mekaar terug omhelzen. Soms moet je delicate dingen tegen mensen zeggen,dat ze zich ‘s morgens ‘s moeten wassen of zo, ook als een vorm van respect tegenover medespelers. Op tijd komen, ook dat leren ze. Dat doet allemaal iets met hen. Soms gebeurt het dat dan één van onze spelers zegt: “Ge hebt gelijk hé Reinhilde, hier spelen dat is veel beter dan een pilleke!”

Veeleisend én betrokken

Heb je door hen geleerd om met een andere blik naar mensen te kijken? “Ook. En meer inzicht gekregen, die wereld leren kennen. Je weet wel dat arm en rijk bestaat, maar wat dat concreet betekent, dat weet je niet. Mensen denken dat dat hier niet meer bestaat en als het bestaat, dan dat hun eigen schuld is, dat ze ’t zelf willen. Dat is heftig.  Heeft het jou milder gemaakt? Ja, waarschijnlijk. Maar tegelijk ben ik hier wel streng. Maar dat is niet tegengesteld aan mild zijn. Soms voel ik dat ik te streng ben geweest, dat ik te ver ben gegaan, en dan voel ik me daar achteraf slecht bij. Maar dan ga ik er terug mee babbelen en uitleggen waarom ik zo streng reageerde. En dan zeggen ze meestal zelf  ‘ja, ik was wel wat lui, ik leerde mijn teksten niet’. Ik kan ook niet tegen flauwe uitvluchten, daar kan ik echt niet tegen! ’t Is niet altijd de schuld van de tram hé als je te laat komt, je moet op tijd vertrekken!” (ze zegt het heel streng!)
Ben je ook streng voor jezelf? Veeleisend?  Ja, dat is wel de consequentie. Ik ben bijna nooit afwezig, ik moet hier zijn en hier op tijd zijn. Wij moeten het voorbeeld zijn voor hen. In ’t werk ben ik sowieso veeleisend. Ik zou beter de lat eens hoger leggen in het ‘lang leve de luiheid’, omdat ik nog zoveel werk. Nu heb ik gezegd: na deze première ben ik echt tien dagen weg, om wat te rusten, want het was echt zwaar. Ik ben geen pierke precies, maar ook thuis moet allemaal in orde zijn. Ik hou van schoonheid rondom mij. En bloemen!” (Reinhilde heeft altijd een bloem in haar haar, ook nu) “Ik mis dat als er geen bloemen in huis zijn. Al weet ik dat sommige bloemen in Afrika gekweekt worden in niet altijd de beste omstandigheden, maar ik kan het helaas niet laten. En er groeien er niet genoeg in mijn hof.”
Ik voel hoe betrokken je bent bij jouw mensen. Maar hoe bewaak je het evenwicht voor jezelf? “Ja, hoe doe je dat? Ik help wel ‘s, ik ga wel ’s mee met hen naar een dokter, of naar ’t OCMW, naar de politie of de psychiatrie. Ik ga wel ’s mee een pint drinken achteraf. Maar daarnaast doe ik genoeg dingen voor mezelf, naar voorstellingen gaan kijken, zelf spelen. Daar haal ik zuurstof uit, ben ik even tussen andere mensen en heb ik andere gesprekken. Dat is nodig, want het werk hier is echt zwaar. Voor bepaalde producties werk ik ook samen met een andere regisseur en dat voel je dan wel, dat er op artistiek vlak iemand naast je staat. Dat helpt. Ja, ‘t is veel hé, maar bon, ik krijg dat wel allemaal wel geregeld. Want de hele omkadering is hier professioneel, decor, belichting, muzikanten ... daar zijn veel mensen bij betrokken, je moet dat allemaal in goeie banen leiden. En dan moet je het ook nog financieel rond krijgen, dat is ook niet altijd gemakkelijk. Dat zoeken naar geld heb ik ook aan mijn been. De overheid zegt: je moet op zoek gaan naar sponsors. Ik heb daar wel specifieke mensen voor die dat doen, maar ik moet dan als bekende naam dan toch met die mensen gaan praten. Dat is eigenlijk bedelen. Dat is soms frustrerend en vermoeiend. Maar ja, we moeten het doen.”

Theater, je leert daar zoveel van!

Vanaf je twaalfde wist je ‘ik wil actrice worden’. Nooit getwijfeld? Nee. Misschien wel op de toneelschool. Als je ontdekt dat het toch wel meer is dan op de scène staan en applaus krijgen, dat je daar iets moet voor doen. Je komt van een nonnenschool op ‘den buiten’, je moet ineens van alles doen dat je niet kent en dan komen er toch twijfels. Ik heb het ook gezien toen ik zelf les gaf aan de eerstejaars in de toneelschool, die twijfels. Dat dient ervoor om uit te zoeken of je dat kunt en wilt, je over de schroom heen zetten. Maar eens die klik er is, dan wordt dat plezant en dan geraak je daar niet meer vanaf. Door dat te kunnen en te mogen doen, gaat er een wereld voor u open. Dat vind ik ook zo bijzonder om te zien bij onze spelers. Je leert daar zoveel van, je wordt geconfronteerd met situaties van mensen in een bepaalde tijd, in de zestiende eeuw of zo, zoals bij Shakespeare, en uw blik verruimt naar de wereld. Ah ja, dat was toen en wat is de relevantie nu? Dat helpt u zo in het leven. Dat zegt Herman Teirlinck ook (declameert) ‘Het door ontroering ontstane levensbeeld is van de mens en kunst is de mededeling daarvan’. Dat vind ik zo schoon. Je leert, je leert zoveel, je leert dingen begrijpen die je in de krant leest of in het nieuws ziet en dat helpt. Dat helpt mij in elk geval. Om tegen de wereld te kunnen.” Want de wereld is hard? Ja, de wereld is een beetje een ramp aan ’t worden hé.Dat is natuurlijk een gegeven van alle tijden, ook Baudelaire kloeg al over de wereld, maar nu vind ik het heftig, echt heftig. Alle ambachten gaan verloren, de banken gaan compleet automatiseren, elk menselijk contact gaat verloren. De postbodes die vroeger nog tijd hadden voor een kopje koffie of een borreltje, dat verdwijnt allemaal, dat verdwijnt.

Je ziet soms vijf mensen samen aan tafel zitten en die babbelen niet met mekaar hé, die zitten allemaal op hun scherm te kijken. Gsm’s kunnen verbindend zijn, zoals in China om het verzet te organiseren. Maar ik vind het echt erg, dat zoveel menselijk contact verloren gaat.”

De heilige verontwaardiging is niet veranderd bij jou? “Nee, nee, integendeel, die wordt erger. Ik toon dat niet altijd maar ik heb soms veel verdriet om wat ik zie op televisie. Daarom blijf ik denk ik zoveel werken, omdat ik er niet meer tegen kan, omdat ik dat allemaal niet meer wil zien. Zo’n gast die een halve school doodschiet in de Verenigde Staten bijvoorbeeld en dan die jonge vrouw, die speech die ze daarna houdt, bloedstollend is dat. En (heftig, met klemtoon op elk woord) daar wordt niet naar geluisterd! Nog niks doen aan die wapenwetten! (met luide stem) Er wordt naar niks geluisterd. Probeer ’s naar de kern te gaan, te kijken wat daar leeft en daarachter zit. Camera’s zetten ja, daar geld insteken. Ze zouden het beter aan ons geven, wij houden ook jongeren van de straat. Er boden zich hier zoveel jongeren aan, die soms opgroeiden in instellingen – geen kwaad daarover, die mensen doen hun best – en dan komen die op hun achttiende op straat, die hebben al die omhelzingen gemist, slechte opleidingen gehad, die gasten moet je nog een toekomst geven. En door het spelen krijgen die dan misschien goesting om iets van hun leven te maken, om te studeren. Daarom zijn we gestart met ons jongerenproject, de Giovanni Fratelli.  Daar zoeken we trouwens ook nog geld voor.
Ik ben wel heel blij met de jongeren die nu op straat komen voor het klimaat. Dat vind ik  fantastisch en ik wil die mee ondersteunen (Reinhilde is ook ambassadeur voor de grootouders voor het klimaat). Maar ik zou hen willen leren ook aandacht te hebben voor de gewone man in die strijd. Het is toch zo dat het vooral de kleine man is die de dupe is. Denk maar aan de gele hesjes in Frankrijk. Ik kan dat begrijpen. Arme mensen die hebben zelf niks, dat zijn niet de grootste vervuilers hé.”

Feminisme, ik hou niet van dat woord

Voel jij je feministe, voel je je deel van die beweging? “Ik voel dat niet, al weet ik wel dat ik dat ben. Ik heb een degout gekregen van die term. Dat is misschien helemaal niet terecht want ik weet wel dat het goed is dat vrouwen gestreden hebben, zeker de vrouwen die begonnen zijn met de vrouwenstrijd. Maar ik ben een zestiger jaren kind en in Holland op die manifestaties liep dat daar vol met feministes. Of vrouwen die dachten dat ze dat waren. En dat was allemaal zo fel! Bij de Internationale Nieuwe Scene hadden we een lied over het socialisme (zingt) ‘voor ‘t heil van onze zonen’. Dat kwam uit de arbeidersstrijd, uit Italië, dat is een traditional, vrouwen die opkwamen voor het werk van hun zonen. En dat moest dan veranderd worden, dat moest ‘kinderen’ worden en dat klonk dan niet. Ooit ben ik ’s gevraagd in Nederland om met vrouwen iets te doen met toneel.  Ik stond daar met mijn muzikant en daar mochten dan geen man binnen! (verontwaardigd!). En hoe ze daar dan over spraken! Toen dacht ik ‘zeg ’t is welletjes, (met luide stem) ik die zoveel van mannen houd! Er wordt zo negatief over mannen gesproken en dat is nu het dier waar ik het meest van hou. Die spanning tussen de seksen, ik vind dat spannend en ik vind dat schoon. Maar ik ben zeker niet tegen feminisme en ik weet zeker dat ik een feministische vrouw bén. Maar ik kan niet tegen dat woord. Ik kan het niet anders uitleggen.”
Is er iets wat je aan jonge vrouwen zou willen zeggen, wat je hen met jouw levenservaring wil meegeven? “Ik kan dat niet direct zo benoemen maar ik zou zeggen ‘ge moet uzelf graag zien, uzelf ten eerste heel graag leren zien en beseffen dat ge meer in petto hebt dan dat ge denkt. En daarop vertrouwen en geen angst hebben om de waarheid te zeggen. Dat is ook iets wat Teirlinck zei:  ‘Liever gehoond om mijn waarheid, dan geliefd om een leugen’. Zo’n dingen. En mekaar opzoeken, dat je niet alleen bent op de wereld.

Eén van de leuzes van Tutti Fratelli komt ook van Herman Teirlinck: ‘Als ik niet aan mezelf denk, wie zou er dan aan mij denken? En als ik alleen maar aan mezelf denk, waarom besta ik dan?’ Ik vind dat een goeie zin. Een zin waardoor je weet dat je niet alleen bent.”

De regisseur met wie ze samenwerkt voor de volgende productie ‘De onzichtbaren’ staat al op haar te wachten, het werk roept. Je zou al met pensioen kunnen gaan hé? “Ja, al zes jaar. Maar ik heb geen zittend gat. En Tutti Fratelli, dat heb ik mee opgericht, wij hebben een betekenis ondertussen, ook hier in de stad en dat vind ik niet onbelangrijk. Dus ik blijf dat verder doen tot.. Ja, tot? Tot de benen te stram zijn zeker. Ik zou ook niet weten wat ik anders zou doen. Als ik veel geld zou hebben zou ik misschien naar het platteland gaan, in Frankrijk, met veel boeken en zo. Maar dan zou ik toch nog iets moeten doen, dan zou ik  daar misschien een Tutti Fratelli oprichten, wie weet?”

Volgende voorstellingen van Tutti Fratelli: “De onzichtbaren” vanaf 9 januari 2020  in de Bourlaschouwburg Antwerpen. De jongerenvoorstelling “Volle gang” op 15, 16 en 17 november 2019.  Meer info: www.tuttifratelli.beinfo@tuttifratelli.be – 03 233 22 81

Reacties

Paula Bartelen schreef

Al tien jaar voel ik me bevoorrecht te mogen deelnemen en spelen in de producties onder de leiding van Reinhilde Decleir.

Desart Lut schreef

Bijzondere vrouw die haar talenten weet te gebruiken en in de wereld weet te zetten!!!

Volle respect!

Reageer